Hoe het faillissement van Lovers tot stand kwam – en waarom het vonnis opvalt

· - leestijd 2 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD - Het faillissement van Lovers Industrial Corporation B.V. is niet het gevolg van een klassiek betalingsconflict met leveranciers, maar van een juridisch en familiair conflict tussen aandeelhouders dat escaleerde via de rechter. Uit het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie blijkt hoe een conservatoir beslag, een patstelling tussen aandeelhouders en het wegvallen van vertrouwen samen leidden tot het oordeel dat Lovers niet langer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen.


De zaak draait om drie nauw met elkaar verweven partijen. Vanddis B.V. is meerderheidsaandeelhouder van Lovers, terwijl Lovers Industrial USA, LLC minderheidsaandeelhouder is. De aandeelhouders van Vanddis en LIUSA zijn familie van elkaar. Dat gegeven vormt de achtergrond van een conflict dat niet alleen zakelijk, maar ook persoonlijk beladen is.

De directe aanleiding voor de crisis was het conservatoir beslag dat LIUSA op 11 december 2025 liet leggen op vermogensbestanddelen van Lovers. Dat beslag diende ter zekerheid van een gepretendeerde vordering van ruim drie miljoen dollar, voortvloeiend uit een geschil over merkrechten en royalty’s dat in de Verenigde Staten wordt uitgevochten. Hoewel het beslag formeel een juridisch middel was, had het volgens alle betrokkenen onmiddellijke gevolgen voor de bedrijfsvoering op Curaçao.

Feitelijk lam

Volgens Vanddis legde het beslag de onderneming feitelijk lam. Banken verklaarden leningen direct opeisbaar, de Ontvanger legde beslag op roerende zaken en vrijwel alle activa van Lovers bleken al bezwaard met pand- of hypotheekrechten. Daarmee verdween de financiële speelruimte. Leveranciers konden niet meer worden betaald, grondstoffen niet meer ingekocht en aan het einde van de maand dreigde ook het loon niet meer te kunnen worden uitbetaald. Machines konden niet langer adequaat worden onderhouden, terwijl klanten en werknemers het vertrouwen dreigden te verliezen.

Opvallend is dat niet alleen Vanddis, maar ook Lovers zelf deze analyse onderschreef. Lovers stelde dat een opheffingskortgeding tegen het beslag weinig kans van slagen had, omdat de rechter vermoedelijk zou oordelen dat de vordering van LIUSA niet summierlijk ondeugdelijk was en een belangenafweging niet in haar voordeel zou uitvallen. Daarmee accepteerde Lovers impliciet dat het beslag, hoe verstrekkend ook, juridisch voorlopig stand zou houden.

Het Gerecht in eerste aanleg wees het faillissementsverzoek aanvankelijk af, met als motivering dat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid. Het faillissementsinstrument zou volgens die redenering worden ingezet voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, bijvoorbeeld om aandeelhoudersgeschillen te beslechten of druk uit te oefenen op LIUSA.

Opzienbarend oordeel

Juist op dat punt is het oordeel van het Hof opzienbarend. In hoger beroep stelt het Hof vast dat wél is voldaan aan de wettelijke faillissementscriteria: Lovers verkeerde daadwerkelijk in een toestand waarin zij had opgehouden te betalen en er was sprake van een vorderingsrecht. Vervolgens toetst het Hof expliciet of sprake is van misbruik van bevoegdheid en concludeert dat daarvan onvoldoende is gebleken.

Cruciaal daarbij is dat het Hof het faillissementsverzoek niet ziet als een strategisch drukmiddel, maar als een reactie op reële en acute financiële nood. Dat Vanddis ook aandeelhouder en borg is, doet daar volgens het Hof niet aan af. Evenmin acht het Hof doorslaggevend dat Lovers geen opheffingskortgeding heeft aangespannen of dat partijen er minnelijk niet zijn uitgekomen. Zelfs LIUSA, de partij die het beslag legde en zich tegen het faillissement keerde, verklaarde niet de indruk te hebben dat Vanddis misbruik maakte van haar bevoegdheid.

Het vonnis laat daarmee zien hoe dun de scheidslijn kan zijn tussen aandeelhoudersconflict en insolventierecht. Een middel dat bedoeld is om vermogens veilig te stellen in een buitenlandse procedure, kan in de lokale context leiden tot een onomkeerbare kettingreactie. Het Hof erkent impliciet dat het faillissementsrecht in zulke situaties niet alleen een instrument is voor schuldeisersbescherming, maar ook een noodrem wanneer een onderneming door juridische blokkades structureel wordt verstikt.

Doorstart

Met het uitspreken van het faillissement en de benoeming van Barbara Nagelmakers tot curator ligt de focus nu op de afwikkeling en een mogelijke doorstart.

Dat was expliciet een belang dat Vanddis aanvoerde: een gecontroleerd faillissement als enige resterende route om waarde, werkgelegenheid en productiecapaciteit te behouden. Of die doorstart er komt, is een volgende fase. Het vonnis maakt vooral duidelijk hoe een juridisch conflict buiten Curaçao uiteindelijk het voortbestaan van een lokaal productiebedrijf heeft ondermijnd.


5.853 keer gelezen

Deel dit artikel: